Impact Online - Lente '25
WTS-500: tien unieke ‘alleskunners’
Met tien gloednieuwe WTS-500 voertuigen beschikt Veiligheidsregio Hollands Midden over een unieke geïntegreerde en zeer effectieve bluswatervoorziening. Binnen vijftien minuten is overal in de regio voldoende water beschikbaar; een grote vooruitgang ten opzichte van vroeger. “Alleskunners op het gebied van bluswater”, zo noemt projectleider Jeroen van de Werfhorst de nieuwe aanwinsten. Inmiddels hebben acht andere veiligheidsregio’s het systeem met eigen ogen bewonderd.

De oorsprong van de WTS-500 ligt in 2016. Het drinkwaterbeleid werd aangepast: leidingen kregen een kleinere diameter en het aantal brandkranen werd verminderd. “Dat was goed voor de kwaliteit van het drinkwater, maar voor ons betekende het minder capaciteit om te blussen”, vertelt Jeroen. “Ons vraagstuk was simpel en urgent: er is water, het moet ergens naartoe, en dat moet snel. In veel regio’s gebeurt dat nog met losse voertuigen – een pomp, een waterwagen en een slangensysteem. Kwetsbaar, want als er één uitvalt, ligt alles stil. Wij hebben als eerste die functies gecombineerd in één voertuig. Dat maakt de WTS-500 uniek in Nederland, en daar mogen we met recht trots op zijn.”
Praktijkkennis en samenwerking
Vanaf de eerste schets hebben collega’s van verschillende kazernes meegedacht. “Mensen met praktijkkennis hebben er echt hun stempel op gedrukt. Daardoor is dit niet een project van een klein clubje, maar van de hele organisatie”, benadrukt Jeroen. De eerste ideeën waren een voertuig met een tank, een pomp en lange slangen. “Samen met leveranciers is ons concept stap voor stap vormgegeven en verder uitgewerkt.”
Pilotfase en doorontwikkeling
In 2019 startte de aanbesteding en in 2021 draaiden de eerste drie voertuigen in Stolwijk, Boskoop en Rijnsburg. “We testten op kleine en grote afstanden, zelfs met drie kilometer slang op de Maasvlakte. De landelijke normen werden ruimschoots gehaald. Dat gaf ons het vertrouwen om door te pakken.” Na die pilot besloot VRHM door te groeien naar tien voertuigen. “We hadden berekend dat we dan overal in de regio binnen vijftien minuten water kunnen leveren”, zegt Jeroen. “Dat is een enorme winst, want vroeger duurde het soms drie kwartier tot een uur om genoeg water te krijgen. Onze bluswaterlogistiek is daarmee versimpeld én veel effectiever geworden.”
Ploeg tot ploeg
De laatste voertuigen zijn inmiddels geleverd. Nieuwe kazernes worden opgeleid met hulp van de eerste drie. “De kennis wordt zo van ploeg tot ploeg doorgegeven. Dat werkt uitstekend.” De implementatie vergde wel wat meer tijd dan gedacht. “Het was een compleet nieuw voertuig. Chauffeurs en bijrijders moesten routines ontwikkelen, van werken met tablets tot nieuwe werkwijzen bij het uitleggen van slangen. Dat hadden we onderschat. Maar doordat de kazernes vanaf het begin meedachten en hun ervaringen deelden, konden we snel verbeteren. Samen hebben we dit tot een succes gemaakt.”
De WTS-500 gaat nu standaard mee bij gebouwbranden, maar ook bij branden op de snelweg. “Waar je vroeger twee tankautospuiten nodig had, volstaat nu vaak één samen met een WTS. Dat maakt ons niet alleen sneller inzetbaar maar ook meer flexibel.”
Wat is een WTS-500?
De afkorting WTS staat voor water transport systeem. Het voertuig voorziet tankautospuiten van water, kan water meenemen (10.000 liter), oppompen uit oppervlaktewater met een hydraulische dompelpomp en via een boosterpomp 500 meter ver verplaatsen met hoge capaciteit, tot 4000 liter per minuut. Aan boord: vijfhonderd meter transportslangen. De wagen is 8,3 meter lang, 2,5 meter breed en bijna 3 meter hoog. Met een operationeel gewicht van 25 ton is de WTS-500 dé alleskunner die onze brandweerzorg toekomstbestendig maakt. De voertuigen staan in Boskoop, Rijnsburg, Stolwijk, Lekkerkerk, Voorschoten, Roelofarendsveen, Nieuwveen, Sassenheim, Zevenhuizen en Bodegraven.
‘Minder regeldruk, meer duidelijkheid en betere samenwerking’
Evenementen zijn onmisbaar voor een levendige regio. Maar achter de schermen vraagt de organisatie van een evenement veel inspanning. Vergunningen, veiligheidsplannen, gezondheidsaspecten en milieu-eisen: er komt heel wat bij kijken voordat een evenement veilig kan plaatsvinden. Om dat proces overzichtelijker en werkbaarder te maken, heeft Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) een nieuwe evenementenwebsite gelanceerd. De site is sinds september live en bedoeld als steunpunt voor organisatoren, gemeenten en partners.

De nieuwe website bundelt alle informatie die nodig is voor een goede voorbereiding en aanvraag.
Organisatoren vinden er onder meer de stappen die nodig zijn voor een vergunningaanvraag, formats voor veiligheidsplannen en draaiboeken en tips over crowd-management en risicobeheersing. Maar ook adviezen rond hygiëne, infectiepreventie en EHBO en aandachtspunten bij weersinvloeden zoals hittegolven of storm.
Met deze opzet wordt het proces niet alleen overzichtelijker voor organisatoren, maar ook voor gemeenten en hulpdiensten die aanvragen beoordelen. Jeroen van den Brakel, evenementencoördinator bij VRHM, licht toe: “We willen de regeldruk niet wegwuiven, maar werkbaar maken. Met deze site krijgen organisatoren duidelijke formats en praktische handvatten die hen echt verder helpen. Dat leidt tot betere aanvragen en scheelt gemeenten en partners veel tijd bij de beoordeling.”
Werkbare afspraken
Sinds de invoering van het landelijke Besluit Gemeentelijke Basis op Orde Publieke evenementen (BGBOP) in 2018 is er meer uniformiteit gekomen, maar in de praktijk bleven de verschillen tussen gemeenten groot. Voor organisatoren voelde het proces vaak ingewikkeld en tijdrovend.
De nieuwe evenementenwebsite brengt daar verandering in. Door alle voorwaarden en stappen in één digitale omgeving te bundelen, ontstaat er meer duidelijkheid en eenduidigheid in de regio. Jeroen: “Een hardcore festival is geen huttendorp. Door duidelijke criteria te formuleren, ondersteunen we organisatoren én zorgen we voor realistische verwachtingen bij gemeenten. Dat voorkomt misverstanden en maakt het proces efficiënter.”
Aandacht voor gezondheid
Opvallend aan de site is de nadrukkelijke aandacht voor gezondheid. Naast klassieke veiligheidsthema’s als crowd control en brandveiligheid is er ook veel informatie opgenomen over hygiëne, infectieziekten en zorgcontinuïteit. Gilke Roos, adviseur evenementen bij de GHOR Hollands Midden: “Het klimaat verandert en daarmee ook de risico’s bij evenementen. Denk aan hittegolven, plotselinge stormen of het risico op infectieziekten. Met deze website helpen we organisatoren om tijdig de juiste maatregelen te nemen. Zo verkleinen we de kans op gezondheidsincidenten en waarborgen we de continuïteit van zorg tijdens evenementen.”
Deze integrale benadering maakt de site niet alleen een hulpmiddel voor organisatoren, maar ook een waardevol instrument voor gemeenten en partners die verantwoordelijk zijn voor het vergunningstraject en toezicht.
Samen leren en verbeteren
De evenementenwebsite is nadrukkelijk bedoeld als een gezamenlijk platform. Organisatoren, gemeenten, hulpdiensten en GHOR werken allemaal vanuit dezelfde informatie. Dat vergroot de uniformiteit en maakt samenwerking eenvoudiger. Jan Bos, directeur Risico- en Crisisbeheersing bij VRHM, benadrukt dat: “Evenementen moeten vooral leuk zijn, maar ook veilig en verantwoord. Met deze site zetten we een belangrijke stap naar minder regeldruk, meer maatwerk en betere samenwerking. Uiteindelijk profiteren alle betrokkenen: organisatoren weten beter waar ze aan toe zijn, gemeenten beoordelen efficiënter en partners kunnen zich sterker richten op de daadwerkelijke veiligheid en gezondheid.”
Bekijk de website: evenementen.vrhm.nl
‘Weerbaarheid en vertrouwen bouwen we samen op’
De afdeling Bevolkingszorg & Gemeentelijke Crisisbeheersing (BGC) van VRHM heeft een nieuwe afdelingsmanager: Daisy Ooms. Samen met coördinerend functionaris Hans Démoed gaat zij de komende tijd langs alle gemeenten in de regio Hollands Midden. Niet met een kant-en-klaar verhaal, maar met een open houding: luisteren, ophalen en ontdekken wat er speelt. “Want alleen samen met gemeenten en partners kunnen we werken aan een sterke, veerkrachtige regio.”

Daisy groeide op in Noordwijkerhout en studeerde geneeskunde in Leiden. Ze werkte acht jaar bij GGD Kennemerland, specialiseerde zich in Maatschappij & Gezondheid en maakte daarna de overstap naar de internationale medische afdeling van KLM. Tijdens de coronapandemie zat ze in het crisisteam.
In 2020 volgde een nieuwe stap: in opdracht van het RIVM werd ze uitgezonden naar Aruba, Curaçao en Bonaire om de eilanden te ondersteunen bij de COVID-bestrijding. Daar bleef ze ruim vijf jaar actief in de versterking van de publieke gezondheid. “Heel waardevol”, zegt ze, “maar ik miste de acute dynamiek. Ik wilde terug naar een context waar snel schakelen, oefenen en samenwerken vanzelfsprekend zijn. De vacature bij VRHM paste perfect.”
Thuis in de veiligheidsregio
Die keuze blijkt raak. “Ik voelde me meteen thuis”, vertelt Daisy. “Veiligheidsregio’s zijn ingericht op opschalen, samenwerken en voorbereiden. Dat past bij mijn ervaring en energie. Bovendien spreekt het fysieke en maatschappelijke domein me aan: hoe ondersteun je de samenleving bij crises die écht impact hebben?”
Volgens Daisy verandert het speelveld snel. “De tijd van klassieke flitsrampen ligt achter ons. We krijgen te maken met langdurige crises en maatschappelijke ontwrichting: klimaatverandering, digitale dreigingen, geopolitieke spanningen. Gemeenten staan dan voor grote opgaven, juist ook in de zorg voor kwetsbare groepen. Als afdeling BGC ondersteunen wij hen daarin. Opleiden, trainen en oefenen blijven de basis, maar we moeten breder kijken: hoe vergroten we samen de weerbaarheid van de samenleving?”
Leren van het Caribisch gebied
De ervaring op de eilanden kleurt haar blik. “Daar weet iedereen dat je ook zélf een rol hebt als er iets misgaat. Hulp komt niet altijd vanzelf. Dat creëert verantwoordelijkheid. In Nederland is dat minder vanzelfsprekend, maar ik denk dat we ook hier meer bewustzijn kunnen ontwikkelen. Want een goede crisisstructuur is belangrijk, maar niet genoeg. We hebben burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven nodig om vertrouwen en veerkracht op te bouwen.”
Uitdagingen
De grootste uitdaging ziet Daisy in het behoud van voldoende goed getrainde crisisfunctionarissen. “Gemeenten staan onder druk door bezuinigingen en volle agenda’s. Hoe zorgen we ervoor dat we mensen blijven binden en motiveren? Dat vraagt om duidelijke keuzes en slimme samenwerking.” Daarnaast wijst ze op de digitale werkelijkheid. “Informatie verspreidt zich razendsnel, met risico op desinformatie en wantrouwen. Hoe houd je als overheid dan regie? Onze afdeling heeft daarin een unieke positie: we staan dicht bij gemeenten en maken deel uit van VRHM. Die verbindende rol moeten we volop benutten.”
Rondje langs gemeenten
Samen met Hans Démoed maakt Daisy dit najaar een tour langs alle gemeenten. “Niet om te zenden, maar om op te halen. Wat gaat goed? Waar liggen zorgen? Welke ideeën zijn er? Elke gemeente heeft haar eigen dynamiek en vraagstukken. Mijn doel is die praktijk te leren kennen en tegelijk de verbinding met VRHM en hulpdiensten te versterken. Uiteindelijk moeten we samen één stevig netwerk vormen.”
Wat verwacht ze van partners? “Dat we samenwerken vanuit vertrouwen. De samenleving verandert snel en we moeten nieuwe vormen van samenwerking ontwikkelen. Als vertrouwen de basis is, kunnen we veel bereiken. Maar zonder vertrouwen wordt de samenleving kwetsbaar. Dat zagen we tijdens COVID en dat zien we nu in discussies over desinformatie. Meer naar elkaar omkijken: dat maakt ons samen sterker.”
Vooruitkijken
Bevolkingszorg is al behoorlijk geprofessionaliseerd, besluit zij. “Maar er zijn nog stappen te zetten. Het gaat erom dat we stevig staan als het er echt om draait. Dat vraagt om investeren in mensen, samenwerking en bewustzijn in de samenleving.”
Ze kijkt uit naar het rondje langs gemeenten. “Als we erin slagen de input van gemeenten en partners te vertalen naar gezamenlijke stappen, zetten we Bevolkingszorg steviger neer in onze regio. En dat is precies waar onze inwoners recht op hebben: een netwerk dat staat als het erop aankomt.”
Leren van natuurbranden in Spanje
Stel je voor: 43 graden, een gortdroge lucht en een vuur dat plotseling van richting verandert. Voor brandweerman Robin de Rooij uit Noordwijk was dit geen film, maar realiteit. Twee weken lang werkte hij in de Spaanse regio Galicië mee bij de bestrijding van grote natuurbranden. Hij kwam terug met ervaringen die ook voor Hollands Midden relevant zijn.

De directe aanleiding voor de missie was een oproep van Brandweer Nederland, in samenwerking met het Europese Civil Protection Mechanism. Doel: extra capaciteit leveren aan Spaanse collega’s én kennis opdoen. Voor Robin was het duidelijk: “Natuurbrandbestrijding speelt ook in onze regio. Denk aan duingebieden en droogteperioden. Ik wilde zien hoe anderen dit aanpakken en wat we daarvan kunnen leren.”
In Spanje leerde hij werken met handgereedschappen zoals vuurzwepen – soms dagen zonder een druppel water te gebruiken. Ook maakte hij mee hoe snel een brand zich in eucalyptusbossen verspreidt wanneer de wind draait. “De brand was niet meer te stoppen. Dan rest maar één optie: terugtrekken via de escaperoute. Dat soort momenten vergeet je nooit.”
Geleerde lessen
De les voor Hollands Midden is helder: natuurbrand is geen ver-van-ons-bedshow. Met stijgende temperaturen en toenemende droogte neemt ook in Nederland de kans op grootschalige natuurbrand toe.
Robin noemt drie hoofdpunten die voor Hollands Midden van belang zijn:
Landschapsinrichting
“Zorg dat er rondom woningen en vitale infrastructuur minder brandbare beplanting staat. Denk aan bufferzones en aanplant die het vuur kan vertragen. In Spanje is het beleid dat binnen 30 meter van huizen geen bomen staan. Zulke keuzes kunnen hier ook het verschil maken.”
Flexibel optreden
“In Spanje zagen we dat niet altijd water het belangrijkste middel is. Bulldozers, vuurzwepen of zelfs luchtsteun kunnen soms effectiever zijn. Ook wij moeten nadenken over de inzet van dit soort middelen, passend bij ons landschap.”
Internationale kennis benutten
“Natuurbranden trekken zich niets aan van landsgrenzen. Er is veel te leren van landen waar natuurbrandbestrijding dagelijkse praktijk is. Laten we die kennis benutten en aanpassen aan onze situatie.”
Wat Robin vooral opviel, is de manier van redeneren. “In Spanje denken leidinggevenden veel meer vooruit: waar is de brand over twee, drie of vier uur? Welke middelen heb je dan nodig? En soms is de harde conclusie dat je een object of gebied niet kunt redden. Dat is pijnlijk, maar voorkomt dat je mensen en middelen verspilt.”
Dubbele gevoelens
Robin keerde met dubbele gevoelens terug. “Toen wij naar huis gingen, brandde het vuur nog steeds. Het voelde bijna onvoltooid, alsof je een klus laat liggen. Tegelijkertijd was het bijzonder om te ervaren hoe groot de internationale solidariteit is. Samenwerken, leren en elkaar helpen: dát maakt het verschil.”
Voor Hollands Midden is het goed de lessen vanuit Spanje serieus te nemen. Ze bieden inspiratie om onze regio weerbaarder te maken, denkt Robin. Want één ding is zeker: de kracht van natuurbranden dwingt respect af. Robin: “En een goede voorbereiding is de enige manier om die kracht het hoofd te bieden.”
‘Zet hygiëne hoger op de agenda’
Bij evenementen gaat de aandacht vaak naar fysieke veiligheid: crowd control, brandveiligheid of verkeer. Logisch, maar hygiëne en infectiepreventie verdienen minstens zoveel aandacht. Dat benadrukt Ineke Hammann, Inspecteur Technische Hygiëne Zorg bij Hecht | GGD Hollands Midden. Samen met de GHOR Hollands Midden werkt zij al jaren aan het veiliger maken van evenementen in de regio.

De praktijk laat zien hoe snel infectierisico’s kunnen ontstaan. “Bij een mudrun moet je je na afloop kunnen afspoelen. Dat hoeft geen luxe douche te zijn, maar íets moet er zijn”, vertelt Ineke. “En als kinderen op een braderie geitjes aaien, dan moet je ook de mogelijkheid bieden om daarna je handen te kunnen wassen. Want alles wat je aanraakt, neem je mee naar het volgende kraampje – en dus ook naar je patatje of broodje.”
Samen optrekken met GHOR
De aanpak is structureel georganiseerd. In het voorjaar bepalen GGD en GHOR samen bij welke evenementen inspecties en adviezen nodig zijn. Tijdens het seizoen leveren de inspecteurs input voor veiligheidsplannen en lopen ze soms mee tijdens schouwen met brandweer, politie en gemeenten. Na afloop worden bevindingen vastgelegd en gedeeld met gemeenten, organisatoren en GHOR.
Die werkwijze werpt vruchten af, zegt Ineke. “We signaleren trends en risico’s en delen die meteen. Zo zagen we bij hardloopevents dat omwonenden de lopers steeds vaker afkoelen met tuinslangen. Goed bedoeld, maar er is een reëel risico op legionellabesmetting. Door dit samen met GHOR en gemeenten te bespreken, kunnen we besluiten of er extra maatregelen nodig zijn.”
Waardevolle samenwerking
De samenwerking met GHOR HM noemt zij intensief en waardevol: "Wij leveren observaties en advies, GHOR kan dit vertalen naar concrete besluiten. Als de hygiëne onder de maat is, kunnen zij dit omzetten in acties richting de bevoegde partijen. Daarmee vullen we elkaars taken goed aan.''
Toch is er nog werk te doen, benadrukt Ineke. “Ik zie organisatoren die zorgvuldig bomen afschermen tijdens een festival, maar deelnemers daarna zonder douche een sloot in laten springen. Het risico op gezondheidsklachten is dan vele malen groter. Infectiepreventie krijgt soms te weinig aandacht, terwijl de impact op gezondheid en plezier van bezoekers groot kan zijn.”
Gezonder voor iedereen
De boodschap van Ineke is duidelijk: gemeenten moeten infectiepreventie structureel hoger op de agenda zetten bij vergunningverlening, en organisatoren moeten dit vanaf de start meenemen in hun plannen. Want een goed georganiseerd evenement gaat niet alleen over orde en veiligheid, maar ook over gezondheid. “Hygiëne en infectiepreventie dragen direct bij aan een veiligere én leukere ervaring voor bezoekers”, besluit Ineke. “Als gemeenten, GHOR en organisatoren dit samen oppakken, maken we evenementen niet alleen veiliger, maar ook gezonder voor iedereen.”
‘We hoeven niet zelf achter de voordeur te komen’
Ouderen zijn extra kwetsbaar bij brand. Niet alleen omdat de kans op brand groter is, maar ook omdat de gevolgen vaak ernstiger zijn. Daarom zoekt de brandweer in onze regio actief de samenwerking met partners om brandveiligheid structureel te verbeteren. Twee routes blijken daarbij veelbelovend: het toerusten van professionals en vrijwilligers die bij ouderen thuis komen, en het inzetten van kinderen als ambassadeurs richting hun ouders en grootouders.

De eerste route richt zich op mensen die al bij ouderen over de vloer komen, zoals welzijnsbezoekers en thuiszorgmedewerkers. De sleutel ligt bij bestaande netwerken, vertelt Esmeralda Korver, senior medewerker Brandveilig Leven: “Eerst richtten we ons via de WMO-loketten op de ‘hulpbehoevende ouderen’. Later verschoof de aandacht naar de ‘fitte ouderen’ die we bereiken via welzijnsbezoekers. Zij kunnen naast hun reguliere gesprekken ook eenvoudige brandveiligheidstips meegeven.”
Train-de-trainer
Om hen daarbij te ondersteunen organiseert Brandveilig Leven drie keer per jaar een train-de-trainer bijeenkomst. Esmeralda: “Mensen die regelmatig bij ouderen thuiskomen, kunnen signaleren en het gesprek openen. Dat maakt de impact veel groter dan wanneer wij het alleen zouden doen. Inmiddels proberen we via de GHOR om via huisartsenpraktijken ook de praktijkondersteuners te bereiken, voor nog meer impact.”
Woningcorporaties
Ook woningcorporaties sluiten aan. Esmeralda: “Huismeesters en wijkregisseurs kunnen tijdens hun bezoeken signalen oppikken en tips delen. Zo bereiken we ook huurders die zelf misschien minder snel contact zoeken.” Dat dit werkt, bevestigt Martin van Woonzorg Nederland: “Wij vonden het heel nuttig. Echt goed om weer even scherp te worden op een aantal punten. Ook mijn collega’s zijn erg enthousiast.”
Komend jaar worden weer drie train-de-trainer bijeenkomsten ingepland. Esmeralda: “We communiceren dit tijdig met de verschillende organisaties zodat ze het op hun jaarkalender kunnen zetten en iedereen zich kan inschrijven.”
Kinderen als brandveiligheidsambassadeurs
De tweede route om ouderen bewuster te maken op het gebied van brandveiligheid loopt via basisscholen. De kinderen maakten kennis met brandgevaren op de stand in Nieuwveen en Reeuwijk en vulden samen met de brandweer een checklist in. Thuis zetten ze hun kennis direct om in actie. De boodschap kwam aan: kinderen wisten hun ouders en grootouders te overtuigen om deuren te sluiten, opladers niet ’s nachts te gebruiken en trappen vrij te houden. Esmeralda: “Kinderen nemen de tips enthousiast mee naar huis. We maken hen tot woningcheckers die ook bij opa en oma meekijken.”
Adviezen
Ook leerkrachten zien dit terug. Zoals juf Tanja van basisschool De Veenvogel: “Veel kinderen hebben thuis kritisch gekeken naar hoe het beter kan. We hoorden terug dat opa’s, oma’s en ouders dringende adviezen van hun (klein)kinderen kregen. Het werkt, juist omdat het vanuit de kinderen komt.”
Een verdere samenwerking met basisscholen wordt nog onderzocht, maar dit jaar nog komt de brandgevarenstand sowieso naar de basisschool in Ter Aar.
Groeiend netwerk
Door bestaande netwerken – van welzijnsorganisaties tot woningcorporaties en scholen – te benutten, groeit een beweging waarin steeds meer partijen bijdragen aan brandveiligheid. Esmeralda: “Wij hoeven niet zelf overal achter de voordeur te komen. Het gaat erom dat we anderen toerusten om signalen te herkennen. Zo ontstaat een netwerk waarin steeds meer mensen bijdragen aan brandveiligheid.”
Gevaarlijke Stoffen Eenheid in actie
Het is half augustus een hele happening aan de Katwijkse Nieuwe Duinweg. Een ontplofte tank met wespenbestrijdingsmiddel in een busje zorgt voor maar liefst drie besmette locaties. De inzet van de Gevaarlijke Stoffen Eenheid (GSE), met de ontsmettingsstraat, blijkt zelfs nodig. Een flinke uitdaging voor bevelvoerder Christian Onderwater. Een mooi punt uit de evaluatie: tevreden bewoners die de rust en gedegen inzet van de hulpdiensten prijzen.

Als Christian met zijn ploeg aankomt, is de ambulance al aanwezig. De werknemer van het wespenbestrijdingsbedrijf zit door de ontploffing onder het poeder, net als zijn bus en de naaste omgeving van de bus. Omdat de werknemer het huis in is gegaan waar hij eerder aan het werk was, is dat huis ook besmet. Christian: “We hadden dus te maken met drie besmette locaties. Ik besefte al snel dat er meer handjes, hulpmiddelen en hersens nodig waren: de 3H’s die we tot onze beschikking hebben.”
Er wordt dus opgeschaald. De ploeg van de tweede tankautospuit zet de straat af en zorgt dat nieuwsgierige omwonenden weer naar binnen gaan, om te voorkomen dat meer mensen met het poeder in aanraking komen. Ook moeten ramen en deuren gesloten worden.
Gevaarlijke Stoffen Eenheid
In overleg met Adviseur Gevaarlijke Stoffen Teun Payens en Officier van Dienst (OvD) Roelfke Spilker wordt de GSE ingeschakeld. Deze ploeg dekt het poeder buiten af, zodat de wind niet kan zorgen voor extra verspreiding. De GSE heeft een ‘wasstraat’ bij zich, waarin besmette personen ontsmet kunnen worden. Edwin Colpa is leider GSE. “We hebben maar een stuk of vijf inzetten per jaar. We worden wel vaker gealarmeerd, maar lang niet altijd wordt de ‘tent’ daadwerkelijk gebruikt.”
Puzzel
De werknemer is al afgespoeld, ontkleedt en meegenomen door de ambulance. De bewoners van het huis zijn minder ernstig besmet door het poeder, maar alleen een douche in het huis is geen optie. Bovendien ligt er in het huis zelf ook poeder, dus daar kunnen ze niet blijven. Edwin: “En toen gingen we met elkaar puzzelen. De bewoners zouden na de ontsmetting door de politie naar het gemeentehuis gebracht worden. Maar hoe komen ze vanuit de tent in het politiebusje? Je wilt mensen natuurlijk niet naakt over straat laten lopen. We hebben dit opgelost met dekens en papieren overalls van de politie.”
Onder controle
Roelfke Spilker is OvD bij deze inzet en spreekt de OvD-BZ (vanuit de gemeente) bij de evaluatie. “Hij heeft na de inzet de bewoners nog gesproken. Die gaven aan dat ze zich niet ongemakkelijk of onveilig hebben gevoeld. Sterker nog, de rust die wij als gezamenlijke hulpdiensten uitstraalden, gaf hen het gevoel dat alles onder controle was. Dat ervaar ik toch wel als compliment. Gelukkig hadden we ook de tijd. Het poeder was niet direct schadelijk voor de huid en het zat voornamelijk op de kleding van de betrokkenen. Daardoor hadden we tijd om in goed overleg alle benodigde stappen nemen.”
Het enige wat zij nog wat lastig vond, was de afwisseling van multi en mono. “Daar wil ik een volgende keer meer structuur in regelen. Verder was het een prima inzet, met een goede rol van een pas opgeleide bevelvoerder.”
Schietincident Alphen aan den Rijn zorgt voor keerpunt
GHOR – en dus ook GHOR Hollands Midden – bestaat 25 jaar. Een van de meest ingrijpende gebeurtenissen tijdens die periode is het schietincident in winkelcentrum De Ridderhof in Alphen aan den Rijn. Uit onderzoek van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid blijkt dat de hulpdiensten een goede prestatie hebben geleverd, maar er worden ook aanbevelingen gedaan voor verbetering van procedures. Een terugblik vanuit het perspectief van GHOR Hollands Midden.

Op zaterdag 9 april 2011 opent een man rond het middaguur het vuur in winkelcentrum De Ridderhof. Zeven mensen (onder wie de dader) komen om het leven, zestien anderen raken gewond. Het is een incident dat Nederland diep schokt.
Om 12.22 uur wordt de Officier van Dienst Geneeskundig (OvD-G) van de GHOR gealarmeerd. GHOR Hollands Midden heeft vanwege de geografische spreiding altijd twee OvD-G’s paraat staan; voor het oostelijk en westelijk deel van de regio. Bij dit incident sluiten beide functionarissen aan. Eén bij het Commando Plaats Incident (CoPI), de ander voor de coördinatie in en rondom het winkelcentrum.
De HS-GHOR (Hoofd Sectie GHOR – tegenwoordig Algemeen Commandant Geneeskundige Zorg) is present in het Regionaal Operationeel Team (ROT), dat formeel om 12.35 uur opstart en waarvan het eerste overleg plaatsvindt om 13.30 uur. GHOR is dus snel operationeel en weet, ondanks de heftige omstandigheden, de geneeskundige hulpverlening te coördineren.
Hectiek
In korte tijd worden vijftien ambulances en twee traumahelikopters ingezet. Slachtoffers worden over verschillende ziekenhuizen in de regio verspreid. Tegelijkertijd melden zich gewonden bij een huisartsenpost op anderhalve kilometer afstand van het winkelcentrum. Ook daar moeten ambulances worden ingezet, om de gewonden naar een ziekenhuis te vervoeren. Er is in 2011 nog geen Landelijk Crisis Management Systeem Geneeskundige zorg; het opbouwen van een actueel beeld voor de geneeskundige zorg gebeurt via telefoontjes en handmatig puzzelwerk.
GHOR brengt de PSHOR (psychosociale hulpverlening bij ongevallen en rampen) tijdig op gang, maar de uitvoering verloopt niet vlekkeloos. PSHOR is op dat moment – in tegenstelling tot PSHI (psychosociale hulpverlening bij incidenten) – geen structureel onderdeel van de crisisorganisatie van het GGD-netwerk. Er is een inbelprocedure die tijdrovend is, waarna PSHOR-functionarissen van verschillende organisaties naar de plaats van het incident komen. In alle hectiek ontstaat onduidelijkheid. Politie, gemeente en derden moeten bijspringen bij de opstart van PSHOR. Nadat het PSHOR-team operationeel is, komt een intensief samenwerkingsverband met de gemeente tot stand.
Slachtofferregistratie
In het maatschappelijke debat ná het incident is aandacht voor de gebrekkige slachtofferregistratie. Het schietincident bij De Ridderhof legt de kwetsbaarheden bloot. GHOR registreert alleen vervoerde slachtoffers, maar mist informatie over mensen die op eigen gelegenheid medische hulp hebben gezocht. Daarnaast zijn ziekenhuizen huiverig om vanwege privacyoverwegingen gegevens te delen. Het gevolg is dat er geen compleet beeld ontstaat van het aantal slachtoffers, hun identiteit of hun verblijfplaats. Dit tot frustratie van de crisisorganisatie, maar ook familieleden en media kunnen niet volledig worden geïnformeerd.
Een nieuwe dreiging zorgt ervoor dat het ROT lang operationeel blijft. Er is een brief van de dader aangetroffen in diens auto, waarin drie winkelcentra worden genoemd waar explosieven zouden liggen. Deze dreiging wordt uiterst serieus genomen en nader onderzocht. Om 23.00 uur – 10,5 uur na de opstart – besluit het ROT de volgende dag verder te gaan. Dan wordt een herdenking voorbereid en afgesloten wat de dag ervoor is gebeurd. De directe GHOR-coördinatie wijzigt zich in een actieve rol voor nazorg en slachtofferbegeleiding, onder meer bij de herdenkingsbijeenkomsten.
Verbeteringen sinds 2011
Het schietincident in Alphen aan den Rijn is een keerpunt gebleken voor enkele crisisprocedures waarbij de GHOR is betrokken:
SIS-systeem: Een van de belangrijkste innovaties is de komst van het SIS (Slachtoffer Informatiesysteem). Dit landelijke, beveiligde systeem maakt het mogelijk om persoonsinformatie van slachtoffers tussen ziekenhuizen en ketenpartners te delen. Het zorgt voor een betrouwbaarder slachtofferbeeld en voorkomt onnodige onzekerheid voor verwanten en bestuurders.
Structurele PSH-organisatie: Waar psychosociale hulpverlening in 2011 nog bestaat uit veelal losse componenten, is het nu beter georganiseerd binnen de (crisisorganisatie)structuur van de GGD. Er is een procesleider PSH beschikbaar en er wordt gewerkt met vaste partners. Dat versterkt niet alleen de inzet, maar ook het onderlinge vertrouwen.
Aandacht voor huisartsenposten: Na het incident bij De Ridderhof is het besef gegroeid dat ook huisartsenposten een rol kunnen spelen bij rampen en crises. In de crisisplannen van nu is deze schakel nadrukkelijker meegenomen.
Andere belangrijke verbeteringen – meer algemeen en niet per se door de gebeurtenissen bij De Ridderhof – zijn:
Snellere triage: In 2011 gebeurde dit nog met de oude gewondenkaart. Deze is inmiddels vervangen door kleurgecodeerde armbandjes (slap wraps), waardoor slachtoffers sneller en duidelijker geclassificeerd kunnen worden. Een werkwijze die vanuit alle Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s) bij triage gebruikt wordt en onderdeel is van het proces Grootschalige Geneeskundige Bijstand.
Informatiedeling: Het Landelijk Crisis Management Systeem wordt nu ook door de zorginstellingen gebruikt om informatie te delen. LCMS-Gz maakt dat GHOR en zorginstellingen in de acute zorg snel en actueel een gezamenlijk beeld kunnen delen bij een ramp of crisis.
